Werkgroep Hogeronderwijsrecht

De Werkgroep HogeronderwijsRecht (WHR) staat sinds de oprichting in de lente van 2011 onder voorzitterschap van mr. P.C. (Peter) Kwikkers. De werkgroep beleefde zijn eerste vergadering op 12 mei 2011. De WHR functioneert zonder budget en op onbezoldigde inspanningen van deelnemers, gastlocatie die logistiek wordt georganiseerd door een van de leden, en de voorzitter. TriasNet Consultants regelt en administreert de convocaties, aanmeldingen en uitnodigingen.

Tezelfdertijd heeft Peter Kwikkers de LinkedIn-groep Hogeronderwijsrecht ingericht. Deze groep heeft nu eveneens een kleine 200 leden (voor ongeveer 50% afwijkend van de mailinglijst) en is een nuttige aanvulling voor de in het ho geïnteresseerde leden van de NVOR. Dit is geen “open groep”, maar niet-leden van de NVOR worden op hun verzoek ook geaccepteerd.

De WHR heeft momenteel een kleine 200 personen op een separate mailinglijst. Hiervoor is het lidmaatschap van de NVOR niet vereist, maar natuurlijk wel aanbevolen.

De werkgroep communiceert via de NVOR-website, een mailinglijst van werkgroepleden en via de Linkedin-groep. Afhankelijk van initiatieven en actualiteit worden jaarlijks drie werkgroepbijeenkomsten georganiseerd om ho-beleid en de vertaling ervan in wet- en regelgeving en de uitvoering in de praktijk te bespreken, op hoger plan te brengen zoals dit een werkgroep betaamt, actief informatie te genereren, en voeding te geven aan algemene verenigingsactiviteiten zoals jaarvergaderingen, nieuwsbrieven, publieke discussie, en verspreiding van verslagen, adviezen of standpunten. Zolang er maar een stevig juridische edge aan zit, kunnen onderwerpen van deze werkgroep bijvoorbeeld zijn:

  • Wetgeving
  • Onderwijs- en wetenschapsbestel
  • Financiering
  • Accreditatie en Kwaliteitszorg
  • Onderwijsaanbodvorming
  • Examencommissies en diplomering
  • Bestuur en medezeggenschap
  • Toezicht
  • Onderwijs en examenregelingen
  • Relatie tussen overheid en instellingen
  • Rechtspersonen ho
  • Toegang en selectie
  • Initiatieven van de regering (of anderen)

Verslagen

12 mei 2011: Accreditatie

Op 12 mei trapte de werkgroep met veertien deelnemers af met een bijeenkomst die grotendeels was gewijd aan het thema “Accreditatie”. Chris Peels, directeur van QANU als gastheer, en Peter Kwikkers, een van de schrijvers van het boek ‘Accreditatie en Kwaliteitzorg’ (SDU, 2011), hielden tevens de inleiding over dit onderwerp.

Natuurlijk belandde de discussie ook op het terrein van de zaak Inholland en dat gaf aanleiding tot de afspraak dat de voorzitter gedurende de zomer, met geïnteresseerde auteurs, op inhoudelijke wijze te inventariseren of hierover een publicatie zou kunnen worden geschreven. In drie schriftelijke commentaarrondes tijdens de zomer, vloeide daaruit een ‘schijfplan’ voor een uit meerdere paragrafen/hoofdstukken van ”De waarborgen van de waarde van een diploma”.

15 september 2011: Waarborgen van de waarde van het ho-diploma

Op 15 september vond de tweede bijeenkomst plaats. Gastheren van de 20 deelnemers waren de NVAO en de CDHO. Deze tweede bijeenkomst van de HOR ging vrijwel volledig over het thema: waarborgen van de waarde van een (ho) diploma. Welke er borgen er waren, welke er zijn, de tegenkrachten, en mogelijke nieuwe borgen en laterale oplossingen. Marjon Aker (Inholland) en Rian Hagebeuk (ANTRE/Remedi.Solutions), hielden inleidingen over onderwijskundige waarborgen van de waarde van een diploma. Gastheren Peter Ubachs (CDHO) en Henri Ponds (NVAO) gaven inleidingen over de externe waarborgen van de waarde van een diploma. Na de pauze werd daarover in een breed perspectief stevig gediscussieerd en werd – in themaverband – heet van de naald aandacht besteed aan een diezelfde ochtend gevoerd kort geding over een niet-toegekend diploma.
Aan het slot van de bijeenkomst werden – voorlopige – knopen doorgehakt over vorm, inhoud, auteursteams, vervolgafspraken, en het “Schijfplan” voor de publicatie van “Waarborgen van de waarde van een ho-getuigschrift”.

Publicatie Waarborgen van Waarde

Het thema ‘Waarborgen van de waarde van een (ho) diploma’ is verlegd naar een aparte auteursgroep. De eerste conceptbijdragen druppelden al binnen en dit belooft een goede publicatie te gaan opleveren, hetzij als themanummer van NTOR, of als eigenstandig commercieel uitgegeven boekje: “Waarborgen van de waarde van het getuigschrift hoger onderwijs”. Het gaat dan over vragen zoals: Wat is “wo-/hbo-waardig”? Welke factoren bepalen dat? Hoe wordt dat bewezen? Wie bepaalt de waarde van een diploma? Voor wie moet die waarde zijn? Hoe hoog moet/kan de waarde zijn en hoe reken je dat uit? Is er zoiets als objectieve waarde? En als we dat allemaal en meer weten: hoe beïnvloedt dat allemaal de onderwijsmakers IN universiteiten en hogescholen (of daarbuiten) positief of negatief. Ruwweg zij dit de subthema’s ervan:

  1. Inleiding: waarde en waarborg
  2. HO-stelsel en cultuur
  3. Onderwijsprogram, onderwijskunde; relatie tussen onderwijs en onderzoek
  4. De rol van OER- en examencommissie
  5. De positie van de student.
  6. Intern toezicht & bestuur en extern toezicht
  7. Financiering
  8. Rol en functie van het beroepenveld / vakgebied
  9. Afstemming onderwijsaanbod – arbeidsmarkt
  10. Rode draden

Geïnteresseerde auteurs die een bijdrage willen leveren, dit kunnen ook ‘losse’ passages of essays zijn, kunnen zich nog altijd melden bij de voorzitter, peter.kwikkers@triasnet.nl. Dit adres geldt ook voor nadere vragen of informatie.

 

19 januari 2012: De WHW en de relatie tussen overheid en instellingen

Op 19 januari vond de 3ebijeenkomst van de werkgroep hogeronderwijsrecht plaats, wederom met QANU in Utrecht als gastheer. Hoofdgast en inleider was mr. Ruud Louw, medeontwerper van de ho-wet- en regelgeving op OCW in de jaren ‘80 en ‘90, daarna secretaris/algemeen directeur van de Universiteit Leiden. Naar eigen zeggen was dit het allerlaatste optreden van het één na laatste nog actieve ‘geweten van de WHW’ en dus alle reden om met hem in gesprek te gaan. Ruud Louw besteedde in het bijzonder aandacht aan:
–       een aantal zwakheden in de WHW,
–       de sturingsbevoegdheden van de minister
–       en het verkeer tussen overheid en instelling in een internationale omgeving.
Dit tegen de achtergrond van het proefschrift van deze specialist op het terrein van hogeronderwijsrecht: het Nederlandse Hoger Onderwijsrecht (diss. Leiden, LUP, 2011).

Impressies discussie-bijeenkomst werkgroep hoger onderwijsrecht van 19 januari 2012

door Peter Ubachs, onderwijsjurist en werkzaam als beleidsmedewerker voor de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs. Deze impressie is geschreven op persoonlijke titel.

Op 19 januari vond de derde discussiebijeenkomst van de werkgroep hoger onderwijsrecht plaats te Utrecht. Gastheer was Chris Peels, directeur van Qanu. Hoofdgast en inleider was Ruud Louw, medeontwerper van hoger onderwijs wet- en regelgeving op OCW in de jaren ‘80 en ‘90, daarna secretaris/algemeen directeur van de Universiteit Leiden. Ruud Louw schreef in 2011 een 775 pagina’s tellend proefschrift over de WHW; in zijn eigen woorden, zijn ‘professioneel testament’. Louw sprak zijn zorg uit over het gebrek aan kennis van het onderwijsrecht in Nederland. In zijn ogen leidt dit vandaag de dag tot een te ingrijpende en vaak ook verkeerde vorm van overheidsgedrag. Ter illustratie noemde hij het optreden van de Rijksoverheid in de hbo-fraude, maar ook meer recent de misvatting van staatssecretaris Zijlstra dat de wet gewijzigd dient te worden om fusies tussen universiteiten mogelijk te maken.

Het eerste hoofdonderwerp van de bijeenkomst betrof de visie van Louw op de huidige accreditatiesystematiek. Hij wees erop dat vanaf de WWO1960 al een vorm van instellingsaccreditatie bestond: de bekostigde universiteiten waren met naam in de wet genoemd. Later werd dit ondoenlijk door het onderbrengen van de vele hogescholen onder de WHW. Voor particuliere instellingen die wilden dat de door hen afgegeven diploma’s werden erkend, werd de mogelijkheid van een ‘aanwijzing’ gecreëerd. De term ‘aangewezen’ voor niet bekostigde private instellingen duidde in feite ook op een geaccrediteerde instelling. Met de invoering van de wet versterking besturing op 1 september 2010 is de term ‘aanwijzing’ afgeschaft en worden particuliere onderwijsinstellingen aangeduid met de term ‘rechtspersoon voor hoger onderwijs’.

Louw vindt dit geen goede ontwikkeling omdat onder de term ‘rechtspersoon voor hoger onderwijs’ zowel geaccrediteerd als niet-geaccrediteerd onderwijs aanbod (in het verleden: aangewezen onbekostigd en niet-aangewezen onbekostigd) valt. Hij geeft de voorkeur aan accreditatie op instellingsniveau in plaats van op opleidingsniveau, omdat instellingsaccreditatie naar zijn mening meer recht doet aan de autonome positie van hoger onderwijsinstellingen. Iedere instelling dient over een goed kwaliteitszorgsysteem te beschikken dat aan internationale eisen voldoet. Dit moet niet alleen op papier, maar ook in de praktijk functioneren. Voor de NVAO ziet Louw een rol weggelegd om de werking van het kwaliteitszorgsysteem per instelling te toetsen in plaats van per opleiding. De NVAO zou daarover de Minister moeten adviseren. Uitgangspunt van accreditatie moet zijn dat instellingen vertrouwen wordt geschonken. Dat vertrouwen schenken doet de Rijksoverheid in de ogen van Louw echter hoe langer hoe minder. Na ieder signaal in de media roept de verantwoordelijke bewindspersoon dat de opleiding gestraft gaat worden en sancties krijgt opgelegd. Een dergelijke reactie kan funest zijn voor de continuïteit van een instelling en benadeelt zittende studenten. Louw is van mening dat een andere invulling van het begrip accreditatie kan leiden tot meer vertrouwen en continuïteit in het stelsel. Hij acht het wenselijk dat er geen rechtsgevolgen worden verbonden aan het oordeel van visitatiecommissies. Dit zal dan weer leiden tot een meer onbevangen sfeer waarin men in een vroegtijdig stadium verbeterpunten durft te benoemen en waarin het instellingsbestuur het vertrouwen krijgt om binnen een bepaalde termijn verbeteringen in de opleiding door te voeren zonder dat studenten hier hinder van ondervinden.

Een ander onderwerp dat Louw aansneed betrof de wijze waarop en de voorwaarden waaronder nieuwe opleidingen in het hoger onderwijs kunnen worden gerealiseerd. Louw stelt dat de Rijksoverheid daarbij onvoldoende oog heeft voor de belangen van de hogescholen en universiteiten. Louw is van mening dat de huidige doelmatigheidstoetsing een eng nationaal kader heeft en leidt tot ongewenste bureaucratie. Iedere nieuwe opleiding die wordt gerealiseerd komt volgens Louw tot stand na een dialoog met het werkveld en/of de wetenschap en is daardoor per definitie relevant voor de arbeidsmarkt als er vraag naar is, dus dat zou niet vooraf getoetst hoeven te worden. Zijn standpunt is dat de doelmatigheidstoetsing zou moeten worden afgeschaft. De instellingen zouden zelf op domeinniveau moeten overleggen en in samenspraak met werkveld en wetenschap nieuwe opleidingen moeten vormgeven, zoals het wetsvoorstel WHW eerder ook bevatte.

Louw stelt dat het onderwijsaanbod volgens hem al teveel aanbod gestuurd is. Hij stelde dat de enige taak van de Rijksoverheid op dit terrein is te zorgen voor goede adequate studie(keuze)voorlichting. De meningen over deze stelling waren verdeeld. Een aantal deelnemers acht het noodzakelijk dat er naast adequate studie(keuze)voorlichting ook een toetsing van een doelmatige besteding van ’s-Rijks middelen bestaat. Het gevaar bestaat immers dat investering van de Rijksoverheid in opleidingen waarvan reeds voldoende aanbod bestaat, dan wel opleidingen waarvan een grote aantrekkingskracht op studenten uitgaat terwijl de arbeidsmarktperspectieven voor deze studenten slecht zijn, niet doelmatig kan worden geacht. Het niet bestaan van een vorm van doelmatigheidstoetsing wakkert in het kader van de strijd om de student  kopieer- en experimenteergedrag aan, hetgeen niet wenselijk is omdat het om belastinggeld van ons allen gaat.

Over brede opleidingen en university colleges was Louw ook duidelijk: het opleiden van steeds meer generalisten helpt de kwaliteit van het hoger onderwijs naar de ‘verdommenis’; een probleem dat al begint de invoering van de tweede fase in het voortgezet onderwijs.

Hierboven zijn in het kort het tweetal hoofdonderwerpen beschreven die in de bijeenkomst aan de orde zijn gekomen. Het zijn onderwerpen die zich voor onderwijsjuristen bijzonder lenen voor constante verdieping en discussie.

10 mei 2012: Hoofdlijnen- en prestatieakkoorden tussen overheid en instellingen

Op 10 mei 2012 vond bij Hobéon in Den Haag de 4e discussiebijeenkomst plaats met NVOR-bestuurslid en bijzonder hoogleraar Paul Zoontjens (UvT) als hoofdgast. Het thema was: De prestatieakkoorden in het hoger onderwijs door juridische bril bekeken. Er stond tevens een pitch op het programma voor een volgende bijeenkomst: de mentaliteit en integriteit in het ho. Die pitch leidde tot de keuze voor “academische vrijheid” als volgend hoofdthema.

Zowel Paul Zoontjens als de werkgroep uitten zich zeer kritisch over de hoofdlijnen- en prestatieafspraken. Vele juridische en beleidsmatige haken en ogen passeerden de revue in zijn inleiding en de daaropvolgende geanimeerde discussie, die werd gevoerd mede tegen de achtergrond van de idee van prestatiebekostiging, waarvan toen alleen nog maar een voorontwerp-amvb tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW bekend was.

Voor de actuele – vooral grondwettelijke – bezwaren tegen dat laatste onderwerp – prestatiebekostiging via een Experimenteer-amvb op grond van artikel 1.7a WHW, kunt u terecht bij een artikel van 15 augustus 2012 op www.scienceguide.nl/201208/nieuwe-ho-bekostiging-voorbij-aan-grondwet.aspx,  in Expertise visieblad van november 2012, en natuurlijk meer in het algemeen ook in het NVOR preadvies nr. 31 uit 2011: Bekostiging in het hoger onderwijs.

20 september 2012: “Academische vrijheid … in de praktijk?”

De 5e discussiebijeenkomst van de werkgroep Hogeronderwijsrecht vond plaats bij InHolland in Rotterdam en droeg als titel “Academische vrijheid … in de praktijk?”
Hoofdgast was dr. B.E. (Lieteke) van Vucht Tijssen, onder andere voormalig lid van het college van bestuur van de Universiteit Utrecht, Hogeschool Inholland en de Onderwijsraad en nu lid van het college van bestuur van de Hogeschool Arnhem Nijmegen. Ter voorbereiding kon een artikel over academische vrijheid worden gelezen in Expertise visieblad, mei 2012, p. 15-18 en op www.triasnet.nl/publicaties/academische-kwartiertjes-of-sporen-door-het-hoger-onderwijs/aanbiedingsspeech. Hieraan is in april 2012 in diverse universiteits- en hogeschoolbladen aandacht besteed met een artikel van het HOP.

De discussie ging aan de hand van een inleiding van Lieteke van Vucht Tijssen over hoe belangrijk de academische vrijheid nog is, wat het eigenlijk is en welke rol het speelt. Er kwamen allerlei algemene elementen maar ook vele concrete casus aan de orde die werden getoetst aan verschillende opvattingen over academische vrijheid. Een van de conclusies was dat – ook als er bij beleidsvoorbereiding en wetgeving eigenlijk nauwelijks nog een beroep op de academisch vrijheid wordt gedaan – deze toch niet overbodig is.

Marjon Aker schreef een zeer lezenswaardig geannoteerd verslag van deze buitengewoon interessante en levendige bijeenkomst. Deze is – met aanbeveling om een interne of zelfs landelijke code hiervoor op te stellen – te lezen in Expertise visieblad, oktober 2012, p 4 t/m 7. Zie www.expertisevisieblad.nl/homepage/

De werkgroep nam voorts de aanbeveling aan om het NVOR-bestuur te adviseren om het thema (academische en grondwettelijke) vrijheid in theorie en belemmeringen en bedreigingen in de dagelijkse praktijk – vergelijkenderwijs in alle onderwijssectoren – als onderwerp te kiezen voor het NVOR-preadvies en de jaarvergadering 2013.

5 maart 2013: Praktische en juridische valkuilen en kansen bij selectie, matching en andere beperkingen richting getuigschrift.

De 6e bijeenkomst van de Werkgroep Hogeronderwijsrecht had als titel: “Praktische en juridische valkuilen en kansen bij selectie, matching en andere beperkingen”, en vond plaats op 5 maart 2013 op de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam, met dank aan Miek Laemers.

Hoofdgast was Remco Rous, bestuurder van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO), die een praktisch-juridische benadering vanuit het perspectief van de student gaf, gelardeerd met sprekende voorbeelden uit de praktijk. De juridische kant werd ingeleid door de voorzitter, vanwege de afzegging van de aangekondigde tweede spreker. Vanuit die perspectieven werd gediscussieerd over de uitdagingen en valkuilen ten aanzien van toelating en tussentijdse selectie en werden die verbonden aan de WHW en recente beleids- en wetsvoorstellen. Een belangrijke conclusie uit de geanimeerde discussie was dat de keuzevrijheid een toegankelijkheid tot èn in het hoger onderwijs een onderwerp is dat veel meer aandacht moeten krijgen.

21 mei 2013: Decanen, faculteitsdirecties en bestuur van onderwijs en wetenschap

De 7e bijeenkomst had als titel: “Decanen, faculteitsdirecties en bestuur van onderwijs en wetenschap ”, en vond plaats op 21 mei 2013 in het P.C. Hoofthuis van de Universiteit van Amsterdam. Hoofdgast (en gastheer) was prof. dr. F.P.I.M. (Frank) van Vree, decaan Faculteit der Geesteswetenschappen, Universiteit van Amsterdam, dankzij het verzoek via Jaap Oosterwijk.

De vraag was onder meer hoe een decaan, faculteitsbestuur of faculteitsdirectie – vanuit bestuur- en beleidsjuridisch perspectief in een universiteit – omgaat met de afgesloten prestatieafspraken, zijn college van bestuur, zijn medezeggenschapsraad, de opleidingsdirecteuren en examencommissies. Alles tegen de achtergrond van recente beleids- en wetswijzigingen, de eeuwige financiële krapte en de gebruikelijke dagelijkse besognes. De stevige discussie legde – vooral ook dankzij de openheid van de hoofdgast – een groot aantal interessante spanningen bloot tussen bestuurders, docenten/wetenschappers en studenten, en ook dat universiteitsdecanen op dat snijvlak een uitermate veeleisende job hebben.

Winkelmand

Nieuwsbrief

Op de hoogte blijven van de ontwikkelingen op het gebied van rechtsbijstand en onderwijs?
Schrijf u in voor de NVOR nieuwsbrief.

Interesse in Lidmaatschap?

klik hier om lid te worden van NVOR, of bekijk de lidmaatschap tarieven.