Metink Award

De prijs is bedoeld om nieuwe en innovatieve publicaties op onderwijsrechtelijk terrein in het Nederlandse taalgebied aan te moedigen en te bevorderen.

De NVOR/Mentink Award is ingesteld bij gelegenheid van het afscheid van prof. mr. D. Mentink als voorzitter van de NVOR. De prijs is bedoeld om nieuwe en innovatieve publicaties op onderwijsrechtelijk terrein in het Nederlandse taalgebied aan te moedigen en te bevorderen. De prijs gaat naar de debuterend auteur(s) van het door de jury als beste beoordeelde artikel, boek of publicatie op onderwijsrechtelijk gebied in de twee jaar voorafgaande aan de uitreiking. De winnaar ontvangt een bedrag van 500 Euro en een bokaal.

De jury bestaat uit de volgende personen:

  • Prof. mr. D. Mentink, voorzitter
  • Mr. J. Bootsma
  • Mr. dr. F. Brekelmans
  • Prof. mr. M. Laemers
  • Mr. dr. J. Sperling, secretaris

De prijs is voor het eerst toegekend in 2012. Winnaars waren B. Paijmans en C. Noorlander voor het artikel ‘Educational malpractice’ als relatief nieuw fenomeen binnen het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht, Nederlands Tijdschrift voor Burgerlijk Recht juni 2011, p. 233-245. De winnaar in 2014 was A. Mohammed voor het artikel ‘Instellingen voor hoger onderwijs op de markt’, NTOR 2013, nr. 3, p. 183-207.

Juryrapport NVOR/Mentink Award 2016

De NVOR/Mentink award is vooral bedoeld ter stimulering van nieuw talent op onderwijsrechtelijk terrein. Het gaat dan om auteurs die op dit vakgebied hun entree maken of hun eerste sporen hebben getrokken. De jury hanteert bij de beoordeling als criteria het originele karakter en de vernieuwende bijdrage aan de kennis van onderwijsrechtelijke vraagstukken. Hierbij wordt onder andere gelet op de toegevoegde waarde voor het vakgebied, de wetenschap of de onderwijsrechtspraktijk in de meest ruime zin – dus ook voor het ministerie – en de mate waarin de auteur of auteurs blijk geven van inzicht van verhoudingen binnen het rechtsgebied. En uiteraard spelen zaken als leesbaarheid en stijl een rol.

Volgens de jury kwam er dit jaar maar één artikel in aanmerking voor de prijs: ‘Onderwijsovereenkomst: tripartiet of niet. Een verkenning van de betrokken partijen bij een onderwijsovereenkomst in het primair en voortgezet onderwijs’ . Het artikel is geschreven door Stijn Voskamp, promovenda aan het Instituut voor Privaatrecht van de universiteit Leiden.

Het artikel is onderdeel van haar promotieonderzoek, dat gaat over de rechtsverhouding tussen leerling en ouders enerzijds en een school anderzijds. Het artikel is ,verschenen in de bundel: C. Breedveld-De Voogd e.a. (red.), De meerpartijenovereenkomst, BWKJ deel 29, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p.211-233.

We hebben hier te doen met een kwalitatief hoogwaardige publicatie. Om te beginnen is het artikel helder geschreven met een duidelijke opbouw. Op originele wijze – en zeer gedegen onderbouwd met een veelheid van verwijzingen naar wetgeving, rechtspraak en literatuur – analyseert de auteur het probleem van de rechtsverhouding tussen ouders en leerling enerzijds en school anderzijds. Naar het oordeel van de jury brengt de auteur met deze publicatie de discussie over deze ingewikkelde rechtsverhouding een heel eind verder.

Het gaat om een onderwerp dat wetenschappelijk van belang is omdat daarover de nodige discussie is en waarvoor nog geen heldere doctrine bestaat. De auteur behandelt het vraagstuk vanuit het algemene recht, het vermogensrecht en het bredere (grondwettelijk) verband van het onderwijsrecht. Zo is het de vraag welke de aard van de rechtsverhouding is. Is sprake van een civielrechtelijke overeenkomst of een andere, publiekrechtelijke rechtsverhouding? Bij de beantwoording van die vraag speelt het onderwijsrecht een belangrijke rol. Aangevoerd kan worden dat het onderwijsrecht weinig ruimte laat in de verhouding tussen belanghebbenden. Ouders moeten immers hun kind op een school inschrijven en de inhoud van het onderwijs ligt grotendeels vast in de onderwijswetten. Is die ruimte zo beperkt, dat er geen sprake is van een civielrechtelijke overeenkomst, maar een publiekrechtelijke verhouding? Naast deze vragen, gaat de auteur in op de juridische hoedanigheid van de belanghebbenden, bijv. of de ouder pro se optreedt of als vertegenwoordiger van het minderjarige kind. De auteur maakt een vergelijking met de geneeskundige behandelingsovereenkomst, waarbij de rechtspraak daarover uitvoerig wordt besproken en geanalyseerd.

Meer dan prikkelend zijn vooral ook de conclusies/slotbeschouwing, die geplaatst zijn in het breder (grondwettelijk) verband van het onderwijsrecht als we het hebben over de fundamentele relatie school-ouder-kind. Zo valt onder meer te verwijzen naar p. 224 van het artikel, met de kwestie in hoeverre scholen “als het ware een deel van de verzorgings- en opvoedingstaak van de ouders feitelijk overnemen”. Sprak de grondwetgever van 1848 daar al niet over en was dit ook niet een ongeschreven uitgangspunt in 1917? Vooral ook interessant en actueel gezien het feit dat volgend jaar de grondwettelijke regeling van de onderwijspacificatie de eerbiedwaardige leeftijd van 100 jaar heeft bereikt.

Het gaat, tot slot en niet onbelangrijk, ook om een praktisch en actueel onderwerp. Mede onder invloed van de technologie zijn er diverse wettelijke ontwikkelingen die tot gevolg hebben dat vormgeving en inhoud van het leerplichtig onderwijs minder vast komen te liggen dan tot nu toe het geval is. Ouders krijgen daardoor niet alleen meer ruimte om te bepalen óf zij een relatie met de school aangaan, maar als zij dat doen, ook meer ruimte hebben om te kiezen hóe zij dat doen. In dit verband kan gewezen worden op de mogelijke herinvoering van thuisonderwijs als middel om aan de leerplicht te voldoen en op wettelijke experimenten met flexibele onderwijstijden. Ook zijn er plannen om maatwerk te creëren waarbij sommige kinderen niet al hun onderwijs op school hoeven te volgen, maar ook thuis of bij een andere instantie dan de school. Een ander voorbeeld is de invoering van de Wet passend onderwijs waardoor scholen verplicht zijn aan sommige kinderen individuele begeleiding te geven die is afgestemd op de behoeften van de leerling. Ouders krijgen daarbij binnenkort zelfs instemmingsrecht op het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief.

Met deze ontwikkelingen lijkt het onderwijsrecht steeds meer ruimte te creëren tussen de belanghebbenden. Die ruimte noodzaakt tot een wettelijke definiëring van de relatie tussen ouders en leerling enerzijds en school anderzijds. Tot op heden ontwijken veel rechters de beantwoording van de vraag welke de rechtsgrond van deze relatie is en gaan zij uit van ‘algemene zorgplichten’ die voortvloeien uit de onderwijswetten. Maar de individualisering van het onderwijs zal tot gevolg hebben dat die vermijding niet langer mogelijk zal zijn omdat steeds vaker per geval zal moeten worden vastgesteld wat de belanghebbenden hebben afgesproken. Ook de rechter zal er dus uiteindelijk niet om heen kunnen om de relatie tussen partijen juridisch te benoemen.

Aan de discussie daarover en de rechtsgevolgen levert het artikel van Stijn Voskamp een belangrijke bijdrage. De jury kijkt dan ook met belangstelling uit naar haar proefschrift.

Winkelmand

Nieuwsbrief

Op de hoogte blijven van de ontwikkelingen op het gebied van rechtsbijstand en onderwijs?
Schrijf u in voor de NVOR nieuwsbrief.

Interesse in Lidmaatschap?

klik hier om lid te worden van NVOR, of bekijk de lidmaatschap tarieven.