Werkgroep Hogeronderwijsrecht

De Werkgroep HogeronderwijsRecht (WHR) staat sinds de oprichting in de lente van 2011 onder voorzitterschap van mr. P.C. (Peter) Kwikkers. De werkgroep beleefde zijn eerste vergadering op 12 mei 2011. De WHR functioneert zonder budget en op onbezoldigde inspanningen van deelnemers, gastlocatie die logistiek wordt georganiseerd door een van de leden, en de voorzitter. TriasNet Consultants regelt en administreert de convocaties, aanmeldingen en uitnodigingen.

Tezelfdertijd heeft Peter Kwikkers de LinkedIn-groep Hogeronderwijsrecht ingericht. Deze groep heeft nu eveneens een kleine 200 leden (voor ongeveer 50% afwijkend van de mailinglijst) en is een nuttige aanvulling voor de in het ho geïnteresseerde leden van de NVOR. Dit is geen “open groep”, maar niet-leden van de NVOR worden op hun verzoek ook geaccepteerd.

De WHR heeft momenteel een kleine 200 personen op een separate mailinglijst. Hiervoor is het lidmaatschap van de NVOR niet vereist, maar natuurlijk wel aanbevolen.

De werkgroep communiceert via de NVOR-website, een mailinglijst van werkgroepleden en via de Linkedin-groep. Afhankelijk van initiatieven en actualiteit worden jaarlijks drie werkgroepbijeenkomsten georganiseerd om ho-beleid en de vertaling ervan in wet- en regelgeving en de uitvoering in de praktijk te bespreken, op hoger plan te brengen zoals dit een werkgroep betaamt, actief informatie te genereren, en voeding te geven aan algemene verenigingsactiviteiten zoals jaarvergaderingen, nieuwsbrieven, publieke discussie, en verspreiding van verslagen, adviezen of standpunten. Zolang er maar een stevig juridische edge aan zit, kunnen onderwerpen van deze werkgroep bijvoorbeeld zijn:

  • Wetgeving
  • Onderwijs- en wetenschapsbestel
  • Financiering
  • Accreditatie en Kwaliteitszorg
  • Onderwijsaanbodvorming
  • Examencommissies en diplomering
  • Bestuur en medezeggenschap
  • Toezicht
  • Onderwijs en examenregelingen
  • Relatie tussen overheid en instellingen
  • Rechtspersonen ho
  • Toegang en selectie
  • Initiatieven van de regering (of anderen)

Verslagen

3 april 2018: Ontwikkelingen in rechtspositie van wetenschappers en docenten

De 18e discussiebijeenkomst werd georganiseerd door Marjon Aker en vond plaats bij de Aob. Hoofdgasten drs. Bregje Mollee, domeinleider Human Resources, VSNU, vanuit werkgeverskant, en mr. drs. Douwe Dirk van der Zweep, lid dagelijks bestuur AOb en vice-voorzitter Zestor, vanuit werknemerszijde, lieten hun licht schijnen op de situatie en ontwikkelingen in de rechtspositie van wetenschappers en docenten in het hoger onderwijs.

Een weerbarstig onderwerp waarbij het vuur achter de schermen én in media regelmatig hoog oplaait. Arbeidsvoorwaarden, loopbaanperspectieven voor onderzoekers, werkdruk van docenten, kwaliteitseisen bij accreditaties, het aantal ‘issues’ is groot. Hoe komen de arbeidsvoorwaarden tot stand, en welke rol heeft en neemt de overheid hierin? Wat is de koers van werkgevers- en werknemersorganisaties op deze thema’s in relatie tot het arbeidsrecht en hoger onderwijs? Een Aoborrel sloot de interessante discussies af, maar we komen op de onderwerpen personeel beleid en arbeidsvoorwaarden terug.

24 november 2017: Gevolgen Regeerakkoord Rutte III voor het onderwijsrecht

De 17e bijeenkomst, bij de Universiteit Utrecht, was een samenwerking van de Werkgroep Hogeronderwijsrecht en de Werkgroep Bestuur & Management en – derhalve – onderwijsbreed. Regeerakkoord “Vertrouwen in de toekomst” werd sectorgewijs werd op de testbank gelegd door prof. mr. drs. B.P. Vermeulen (lid Raad van State en hoogleraar constitutioneel recht Radboud Universiteit), dr. Nicole Niessen (Boels Zanders Advocaten; over PO, VO en MBO); mr. dr. Martijn Nolen (Universiteit Utrecht / Van Doorne; over Vertrouwen in en toezicht op samenwerking) en mr. Peter Kwikkers (TriasNet Consultants; over hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek).

Peter Kwikkers lichtte vier punten uit voor de sector hoger onderwijs en wetenschap:

  • de kwaliteitsafspraken die elke universiteit en hogeschool moet maken met zichzelf en ‘de omgeving’; met zelfgekozen criteria maar binnen centraal gestelde nauwe randvoorwaarden over rendement, arbeidsmarkt en (macro-)doelmatigheid.
  • niet verbeterende toegankelijkheid; in welke betekenis of fase dan ook en evenmin in het kader van leven lang leren.
  • De – grenzen aan – internationale dimensies van hogeronderwijsbeleid en -regelgeving.
  • Maatschappelijke, financiële, juridische, en bestelsystematische lacunes en onvolkomenheden. Voor herijking van de WHW op kernwaarden en -doelen zou de regering zwaar investeren in betere vertaling van politiek en beleid, in goede regelgeving en rechtvaardige uitvoering: in autonomie en kwaliteit.

 

Of het regeerakkoord kon worden geaccrediteerd bleef – gezien de kritiek – de vraag. Bieden bestuurders en politici ook dat de mensen kunnen vertrouwen op rechtvaardige regelgeving en rechtszekerheid?

ScienceGuide hoofdredacteur Sicco de Knecht schreef een lezenswaardige impressie van deze bijeenkomst: Vertrouwen en doelmatigheid gaan lastig samen.

28 maart 2017: Toegankelijkheid en Toegankelijkheidsbeperkingen in hoger onderwijs

Langzaam begint te dagen dat de borging van toegankelijkheid van masteropleidingen, bacheloropleidingen, postdoc- en promotietrajecten en financiële toegankelijkheid op de agenda moet. We gingen daarom in gesprek over de beleids- en bestuursjuridische kanten aan dit onderwerp, want veel recente beleidsmatige en financiële interventies staan haaks op het beginsel van gelijke kansen en toegankelijkheid voor studenten. Werkgroepvoorzitter mr. P.C. (Peter) Kwikkers hield (ongebruikelijk) een uitvoerige inleiding over de toegankelijkheid aan de hand van een lange lijst WHW-wetsartikelen waarin die een meer of minder verborgen rol speelt. Zichtbaar in onderwerpen zoals numerus fixus, selectie, studiesucces, studiepuntenbeleid, doorstroming, financiering en (Bindend)Studie(Keuze)Advies; minder zichtbaar in veel meer wetsartikelen.

Gastheer èn hoofdgast dr. K.L.L.M. (Karl) Dittrich, voorzitter van de VSNU, ging in op het politieke en academische klimaat en op de vraag in hoeverre dat (niet) wordt gedreven door financieel-economisch nutsdenken, excellentiedenken en control? Is rendementsdenken juist goed, zelfs als het destijdse ideaalbeeld van onderwijsminister Van Kemenade “Hoger onderwijs voor velen” zo in het gedrang komt dat nu zelfs de Onderwijsraad waarschuwingen liet horen? Karl Dittrich, als altijd scherp debater, ging daarna in discussies met de aanwezigen in de zaal en ging dieper in op actuele landelijke en lokale ontwikkelingen, tegen de achtergrond van lokale, nationale en internationale politieke opvattingen over taken en verantwoordelijkheden van ho-instellingen en behoeften op arbeidsmarkten. De gesprekken werden voortgezet bij een hapje en drankje.

 

Ter voorbereiding werd aanbevolen het Toelichtend Commentaar WHW WHW-pocket 2017, m.n. par. 1.3; 5.2.3; 5.6.3; 5.7.5; 5.7.13; 5.7.15. Een goed bestel knelt niet. TH@MA, 2016 nr. 3, p. 35-42.

4 april 2016: Binairiteit en de verschillen tussen WO en HBO

Waar de grens van het hogeronderwijsbestel ligt, is doorgaans wel duidelijk. Vaak veel minder helder zijn grenzen die binnen dat stelsel zijn getrokken. Op 4 april 2016 waren wij voor werkgroep 15 te gast bij de Hogeschool van Amsterdam met als onderwerp “Binairiteit en de verschillen tussen universiteit en hogeschool”. Het ging niet alleen over de stelselbinairiteit wo-hbo, de overeenkomsten en verschillen tussen wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs en de verschillen tussen universiteit en hogeschool, maar ook over leerstukken zoals kwaliteit & verscheidenheid en profilering & flexibilisering behoren hiertoe. Specifieke onderwerpen binnen de kaders van binairiteitsvraagstukken zijn o.a. flexibilisering van onderwijs, doorlopende leerlijnen en andere doorstromingsvraagstukken zoals vrijstellingen en erkenning elders verworven competenties. Maar er is ook een binairiteit in het onderzoeksbestel: welk type onderzoek doet de universiteit, welk de hogeschool. Al deze onderwerpen kunnen in elkaars beleidsjuridisch verlengde aan beschouwing worden onderworpen.

 

Hoofdgast was dr. C.P. (Kees) Boele, voorzitter van het college van bestuur van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Hij zette, na een zoals gebruikelijk inhoudelijke inleiding van de werkgroep-voorzitter, de discussie aan met een zeer interessante causerie vanuit zijn gedachten over het WHW-bestel in het rapport Differentiëren in Drievoud van de Commissie Veerman. Hij ging nader in op actuele landelijke en lokale ontwikkelingen, tegen de achtergrond van vooral regionale behoeften op arbeidsmarkten en schetste de contouren van een onderwijsbestel dat daar beter op zou aansluiten.

Gastvrouw, drs. Ietje Veldman, decaan Faculteit Onderwijs en Opvoeding (Hogeschool van Amsterdam), zette het spotlicht op de bijzondere plaats van lerarenopleidingen in het binaire stelsel. Bijzonder niet zozeer als gevolg ervan, maar door bestuurlijke opstelling. Lerarenopleidingen zijn speciaal omdat die aan universiteiten èn op hogescholen voorkomen: een aloude uitzondering op binairiteit. Aan dit klassiek spanningsveld wo-hbo is een bepaalde problematiek verbonden. Haar omgang daarmee, en de vergelijkingen met Nijmegen, was even interessant als verhelderend.

Zoals gebruikelijk bediscussieerden we in onze rondetafelmodus de beleids- en bestuursjuridische kanten aan het dit onderwerp en sloten af, met dank aan de Hogeschool van Amsterdam voor haar gastvrijheid, met hapje en drankje.

 

Ter lezing werd aanbevolen:

  • Differentiëren in Drievoud. Rapport Commissie Veerman, TK 31 288 nr. 96, april 2010.
  • Onderwijsheid. Kees Boele. Klement-Pelckmans, derde druk, 2016.
  • Toelichtend Commentaar op de WHW online, m.n. op de artikelen 1.3 en 7.3a.
  • WHW-pocketeditie, m.n. par. 2.2; 5.7.10; 5.7.14.

Kort nadien verschenen:

1 december 2015: Examencommissies: de juridische positie

De 14e bijeenkomst vond plaats met het onwaarschijnlijke recordaantal van 65 deelnemers dat kon worden gevestigd vanwege de toevallige omstandigheid dat de locatie op het laatst moest èn kon worden gewijzigd naar een ruime zaal bij de Universiteit Leiden.

Goed functionerende examencommissies zijn voorwaarde bij uitstek voor de borging van de onderwijskwaliteit. Zoals de voorzitter stelde: het belangrijkste orgaan van universiteit en hogeschool. De Examencommissie is echter al jaren voorwerp van politieke en bestuurlijke aandacht. Aanleidingen daarvan zijn steevast onderwijszaken die niet goed gaan, daarom de media halen èn dan de aandacht van autoriteiten en vaak ook van de Tweede Kamer wekken. Wetgever, Vereniging Hogescholen, Inspectie, NVAO en allerlei randorganisaties, zijn zich intensief met de positie en het functioneren van de examencommissie gaan bezighouden. De wettelijke regeling groeide aan van één naar vier artikelen, maar of de positie van de examencommissie daarmee is verbeterd, wordt betwijfeld.

Gesproken werd over de vraag waar de examencommissies nu staan en waar de geluiden dat er nog steeds grote verbeterslagen moeten worden gemaakt vandaan komen en hoe die verdere versterking eruit zou moeten zien. We gingen over de juridische positie en het functioneren en mogelijke verdere versterking van de examencommissie in gesprek met de hoofdauteur van het Inspectierapport “Verdere versterking; onderzoek naar het functioneren van examencommissies in het hoger onderwijs”: drs. Martine Pol-Neefs, inspecteur hoger onderwijs. Op basis van haar rapport en een negental stellingen werden verschillende interpretaties van wet- en regelwetgeving bediscussieert. Onder meer betrof dit de spanning tussen de wettelijke vastgelegde verantwoordelijkheden van de examencommissie en het bestuur enerzijds, en die van de examencommissie en de examinator anderzijds.

 

Ter voorbereiding waren aanbevolen:

  • Verdere Versterking. Rapport Inspectie van het Onderwijs, maart 2015.
  • Verdere Versterking nader beschouwd (e-magazine van de Inspectie).
  • Het Toelichtend Commentaar op de WHW op artikelen 7.12-7.12c,
  • In de WHW-pocket 2015 (tekst en toelichting).
  • Positie en kwaliteit van examencommissies vanuit WHW-perspectief. Peter Kwikkers, Th&ma 2012 nr. 4, p. 30 – 37.
  • Versterk de rol van examencommissies: Waarom het geheel van toetsen telt. Martine Pol-Neefs en Desirée Joosten-ten Brinke. (Th&ma 2015, nr. 4).
31 augustus 2015: Financiën en Medezeggenschap

De 13e discussiebijeenkomst vond plaats bij Hogeschool Inholland in Den Haag, georganiseerd in samenwerking met NVOR-werkgroep Medezeggenschap. Hoofdgasten waren Pieter Duisenberg, Tweede Kamerlid voor de VVD, en Michel Rog, Tweede Kamerlid voor het CDA.

Er heeft zich sinds het begin van de eeuw een aanzienlijk aantal problemen en zelfs echecs in onderwijsinstellingen voorgedaan die zijn veroorzaakt door bestuurlijk falen. Dat betrof voor een belangrijk deel (ook) falend financieel bestuur en beleid: als oorzaak of gevolg. Hierover worden steeds opnieuw tal van vragen gesteld. Mede aanleiding waren natuurlijk de bezettingen van gebouwen van de Universiteit van Amsterdam. De OCW-bewindslieden hebben deze zomer het wetsvoorstel Versterking Bestuurskracht ingediend dat ook dit onderwerp aangaat. Wij discussieerden met de Kamerleden over vragen zoals:

  • Is beter gepositioneerde medezeggenschap effectief bij het voorkomen – en oplossen – van financiële problemen en het verbeteren van het financieel beleid?
  • Hoe moet dit dan en wat is daar nog meer voor nodig?
  • Wat wordt van de ‘Haagse Politiek’ verwacht en wat heeft die te bieden?
  • Wat kan en moet de onderwijsinstelling zelf in orde brengen?
  • Is minimuminstemmingsrecht “met hoofdlijnen van de instellingsbegroting”, zoals in de WHW nu is vastgelegd, werkbaar en effectief?
  • Wat brengt het wetsvoorstel Versterking bestuurskracht en is dat voldoende?

In de convocatie is verwezen naar voorbereidende publicaties zoals de (37) reacties op de internetconsultatie over genoemd (concept-) wetsvoorstel; een artikel in Observant (Universiteit Maastricht), het NVOR-preadvies Bekostiging in het hoger onderwijs en het Toelichtend Commentaar op de WHW.

21 april 2015: Instellingsaccreditatie in Vlaanderen (en Nederland?)

Over de nieuwe Vlaamse methodiek van externe kwaliteitzorg via (in beginsel singuliere) instellingsreviews, discussieerde de werkgroep in de 12e bijeenkomst, bij de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs, met mevrouw lic. A.M.J. (Ann) Demeulemeester, vice-voorzitter van de NVAO. De Vlaamse gemeenschap voert een wijziging van de Codex Hoger Onderwijs door waarmee de Instellingsreview de bepalende factor in de externe kwaliteitsbeoordeling wordt. In Nederland wordt al vanaf 2000 gepleit voor instellingsaccreditatie. Het leidde tot het huidige dubbelmodel. Ann Demeulemeester introduceerde dit Vlaamse model en ging daarna in franke discussie over voordelen en kritische randvoorwaarden van het Vlaamse model waardoor ook de toekomst van de Nederlandse methodiek aan de orde kon komen. Voor het eerst was er dus een hoofdgast uit het buitenland, en een aanzet tot een internationale comparitie die ons inzicht in overeenkomsten en verschillen vergroot en wellicht zal zijn terug te vinden in het debat in Nederland: over de beleidsjuridische vraag of Nederland het Vlaamse voorbeeld kan volgen en over de beginselvraag of een model van instellingsaccreditatie in Nederland denkbaar is. Ter voorbereiding werd de deelnemers gewezen op een aantal publicaties zoals het Bijzonder nummer van T.O.R.B. “Rekenschap over de kwaliteit van de instellingen in Vlaanderen en Nederland”, Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid (TORB), Die Keure, Brugge (België), 2013-2014, pg. 38-60, www.triasnet.nl/publicaties/over-accreditatie, WHW-pocket 2015 , http://www.demorgen.be/binnenland/geen-externe-inspectie-meer-universiteiten-mogen- zichzelf-controleren-a2130150/; http://www.scienceguide.nl/201411/vlaamse-kwaliteit-versoepeld.aspx; http://www.scienceguide.nl/201412/verdiend-vertrouwen-is-een-risico.aspx

20 november 2014: Toezicht en (of) Medezeggenschap in universiteiten en hogescholen

Over Toezicht en (of) Medezeggenschap (en bestuur) in universiteiten en hogescholen discussieerde de 11e NVOR-werkgroep, bij de QANU in Utrecht, met prof. mr. A.T. Ottow, hoogleraar economisch publiekrecht aan het Europa Instituut en decaan van de Faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie, Universiteit Utrecht. Zij is gespecialiseerd in toezicht(houders), marktordening, mededinging en Europees recht. Vanaf 1 september 2013 is zij ook lid van de raad van toezicht van de VU/VUmc. De bijeenkomst stond in het licht van wetswijzigingen in de “governance in het onderwijs”, de interrelaties in driehoek bestuur-medezeggenschap-toezicht en een internetconsultatie daarover die leidde tot het wetsvoorstel Versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen. Zie op www.internetconsultatie.nl/wetvbo met name de reacties over het hoger onderwijs en Kamerstukken 34 251. Verwezen werd onder andere naar de hoofdstukken 9 en 10 van het online Toelichtend Commentaar op de WHW uitgegeven door SDU-uitgevers: www.homanagement.nl en het bijzondere nummer van het tijdschrift THEMA, eind oktober 2014, dat geheel is gewijd aan het thema ‘Integriteit in hoger onderwijs en wetenschap’.

15 mei 2014: Wetenschapsfraude juridisch; wat is het, hoe komt het, wat gebeurt eraan

Hoofdgast en inleider op de 10e discussiebijeenkomst was prof. dr. mr. C.J.M. Schuyt, voorzitter van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI), lid van de KNAW, emeritus hoogleraar sociologie en niet minder befaamd in de wereld der rechtssociologie. Het LOWI is een onafhankelijk orgaan, ingesteld door KNAW, NWO en VSNU. Het adviseert o.a. de colleges van bestuur van de universiteiten en de raden van bestuur van de universitair medische centra en de besturen van NWO en KNAW inzake klachten over schendingen van wetenschappelijke integriteit. Zoals bekend is daarover de laatste jaren vaker iets over te doen geweest. Prof. Schuyt schetste mede aan de hand van een aantal fraudedefinities uitvoerig het juridische kader waarin (betwiste) fraudezaken worden behandeld. Een aantal casus werden diepgaand met hem besproken. Hij ging onder meer in op het systeem van zelfregulering met de bijbehorende juridische kenmerken (klachtprocedure Hoofdstuk 9 Awb), de uitspraken en adviezen van het LOWI over verjaring, plagiaat e.d., procedure en de vragen die rijzen naar aanleiding van dergelijke procedures (juridische waarborgen en kwaliteit, deskundigheid, zelfbeoordeling door wetenschappers). Hij liep alternatieven langs zoals die Noorwegen en Finland, en die van het Nederlandse advocatentuchtrecht en het Medisch Tuchtcollege en gaf daarmee al een voorproef op het boek dat hij over deze materie in voorbereiding heeft. Aanwezigen hadden een aantal kritische vragen en kanttekeningen die prof. Schuyt zeer waardeerde, zoals hij nadien e-mailde. Ter voorbereiding golden www.knaw.nl/nl/thematisch/ethiek/landelijk-orgaan-wetenschappelijke-integriteit-lowi/overzicht de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, www.scienceguide.nl/201112/wetenschap-kent-ook-perverse-prikkels.aspx en het briefadvies van de KNAW “Correct citeren” van april 2014. De LOWI-website bevat meer informatie en in landelijke media is dit onderwerp met regelmaat aan de orde.

30 januari 2014: Rechtspraak en Examencommissies

Tijdens de eerdere bijeenkomst bij de Juridische Hogeschool Avans-Fontys, was besloten dat de examencommissie centraal zou staan. Dat is in de 9e discussiebijeenkomst ingevuld met de focus op de rechtspraak over de examencommissie. Vanuit die kern werden andere juridische en praktische zaken besproken. Inleider/hoofdgast was mr. B.K. (Ben) Olivier, lid van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs in Den Haag, maar ook langjarig wetenschapper in het bestuursrecht aan de UVA. Hij kent ook de examencommissie van binnenuit en is – in ver verleden – begonnen als secretaris van de Commissie voor de Bestuurshervorming ex artikel 56 WUB. Hij verzorgde de inhoudelijke aanzet voor de discussie tussen de aanwezigen op de van hem bekende wijze: een uiterst doorwrocht college specifiek bestuurs(proces)recht mede aan de hand van een enorme hoeveelheid belangrijke casuïstiek.

8 oktober 2013: Faculteitsdirecties en bestuur van onderwijs en wetenschap (2)

De 8e bijeenkomst was het tweede deel van hetzelfde thema, maar nu over hogescholen. Hij vond plaats aan de Juridische Hogeschool Avans-Fontys in Tilburg. De hoofdgast, tevens gastheer, was mr. G.F.J. (Gerard) Hupperetz, directeur van de Juridische Hogeschool Avans-Fontys en voorzitter Landelijk overleg hbo-rechten, op verzoek via Rob van Bogget. Ditmaal werd vooral vanuit een juridisch perspectief en het perspectief van een hogeschool gediscussieerd, met name over de bestuurlijke positie van de Juridische Hogeschool, een onderdeel dat bestaat uit een zelfstandig samenwerkingsverband van twee hogescholen. Hierdoor ontstaan ook heel specifieke vraagstukken. Vragen waren o.a. hoe een integraal verantwoordelijke faculteitsdirecteur omgaat met de afgesloten prestatieafspraken, zijn college van bestuur, zijn medezeggenschapsraad, de opleidingsdirecteuren en (bevoegdheden van) examencommissies. Alles tegen de achtergrond van recente beleids- en wetswijzigingen, eeuwige financiële krapte, jaren van juridisering en bureaucratisering, en andere praktische besognes aan een hogeschool.

21 mei 2013: Decanen, faculteitsdirecties en bestuur van onderwijs en wetenschap
De 7e bijeenkomst had als titel: “Decanen, faculteitsdirecties en bestuur van onderwijs en wetenschap ”, en vond plaats op 21 mei 2013 in het P.C. Hoofthuis van de Universiteit van Amsterdam. Hoofdgast (en gastheer) was prof. dr. F.P.I.M. (Frank) van Vree, decaan Faculteit der Geesteswetenschappen, Universiteit van Amsterdam, dankzij het verzoek via Jaap Oosterwijk.

De vraag was onder meer hoe een decaan, faculteitsbestuur of faculteitsdirectie – vanuit bestuur- en beleidsjuridisch perspectief in een universiteit – omgaat met de afgesloten prestatieafspraken, zijn college van bestuur, zijn medezeggenschapsraad, de opleidingsdirecteuren en examencommissies. Alles tegen de achtergrond van recente beleids- en wetswijzigingen, de eeuwige financiële krapte en de gebruikelijke dagelijkse besognes. De stevige discussie legde – vooral ook dankzij de openheid van de hoofdgast – een groot aantal interessante spanningen bloot tussen bestuurders, docenten/wetenschappers en studenten, en ook dat universiteitsdecanen op dat snijvlak een uitermate veeleisende job hebben.

5 maart 2013: Praktische en juridische valkuilen en kansen bij selectie, matching en andere beperkingen richting getuigschrift.
De 6e bijeenkomst van de Werkgroep Hogeronderwijsrecht had als titel: “Praktische en juridische valkuilen en kansen bij selectie, matching en andere beperkingen”, en vond plaats op 5 maart 2013 op de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam, met dank aan Miek Laemers.

Hoofdgast was Remco Rous, bestuurder van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO), die een praktisch-juridische benadering vanuit het perspectief van de student gaf, gelardeerd met sprekende voorbeelden uit de praktijk. De juridische kant werd ingeleid door de voorzitter, vanwege de afzegging van de aangekondigde tweede spreker. Vanuit die perspectieven werd gediscussieerd over de uitdagingen en valkuilen ten aanzien van toelating en tussentijdse selectie en werden die verbonden aan de WHW en recente beleids- en wetsvoorstellen. Een belangrijke conclusie uit de geanimeerde discussie was dat de keuzevrijheid een toegankelijkheid tot èn in het hoger onderwijs een onderwerp is dat veel meer aandacht moeten krijgen.

20 september 2012: “Academische vrijheid … in de praktijk?”
De 5e discussiebijeenkomst van de werkgroep Hogeronderwijsrecht vond plaats bij InHolland in Rotterdam en droeg als titel “Academische vrijheid … in de praktijk?”
Hoofdgast was dr. B.E. (Lieteke) van Vucht Tijssen, onder andere voormalig lid van het college van bestuur van de Universiteit Utrecht, Hogeschool Inholland en de Onderwijsraad en nu lid van het college van bestuur van de Hogeschool Arnhem Nijmegen. Ter voorbereiding kon een artikel over academische vrijheid worden gelezen in Expertise visieblad, mei 2012, p. 15-18 en op www.triasnet.nl/publicaties/academische-kwartiertjes-of-sporen-door-het-hoger-onderwijs/aanbiedingsspeech. Hieraan is in april 2012 in diverse universiteits- en hogeschoolbladen aandacht besteed met een artikel van het HOP.

De discussie ging aan de hand van een inleiding van Lieteke van Vucht Tijssen over hoe belangrijk de academische vrijheid nog is, wat het eigenlijk is en welke rol het speelt. Er kwamen allerlei algemene elementen maar ook vele concrete casus aan de orde die werden getoetst aan verschillende opvattingen over academische vrijheid. Een van de conclusies was dat – ook als er bij beleidsvoorbereiding en wetgeving eigenlijk nauwelijks nog een beroep op de academisch vrijheid wordt gedaan – deze toch niet overbodig is.

Marjon Aker schreef een zeer lezenswaardig geannoteerd verslag van deze buitengewoon interessante en levendige bijeenkomst. Deze is – met aanbeveling om een interne of zelfs landelijke code hiervoor op te stellen – te lezen in Expertise visieblad, oktober 2012, p 4 t/m 7. Zie www.expertisevisieblad.nl/homepage/

De werkgroep nam voorts de aanbeveling aan om het NVOR-bestuur te adviseren om het thema (academische en grondwettelijke) vrijheid in theorie en belemmeringen en bedreigingen in de dagelijkse praktijk – vergelijkenderwijs in alle onderwijssectoren – als onderwerp te kiezen voor het NVOR-preadvies en de jaarvergadering 2013.

10 mei 2012: Hoofdlijnen- en prestatieakkoorden tussen overheid en instellingen
Op 10 mei 2012 vond bij Hobéon in Den Haag de 4e discussiebijeenkomst plaats met NVOR-bestuurslid en bijzonder hoogleraar Paul Zoontjens (UvT) als hoofdgast. Het thema was: De prestatieakkoorden in het hoger onderwijs door juridische bril bekeken. Er stond tevens een pitch op het programma voor een volgende bijeenkomst: de mentaliteit en integriteit in het ho. Die pitch leidde tot de keuze voor “academische vrijheid” als volgend hoofdthema.

Zowel Paul Zoontjens als de werkgroep uitten zich zeer kritisch over de hoofdlijnen- en prestatieafspraken. Vele juridische en beleidsmatige haken en ogen passeerden de revue in zijn inleiding en de daaropvolgende geanimeerde discussie, die werd gevoerd mede tegen de achtergrond van de idee van prestatiebekostiging, waarvan toen alleen nog maar een voorontwerp-amvb tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW bekend was.

Voor de actuele – vooral grondwettelijke – bezwaren tegen dat laatste onderwerp – prestatiebekostiging via een Experimenteer-amvb op grond van artikel 1.7a WHW, kunt u terecht bij een artikel van 15 augustus 2012 op www.scienceguide.nl/201208/nieuwe-ho-bekostiging-voorbij-aan-grondwet.aspx,  in Expertise visieblad van november 2012, en natuurlijk meer in het algemeen ook in het NVOR preadvies nr. 31 uit 2011: Bekostiging in het hoger onderwijs.

19 januari 2012: De WHW en de relatie tussen overheid en instellingen
Op 19 januari vond de 3ebijeenkomst van de werkgroep hogeronderwijsrecht plaats, wederom met QANU in Utrecht als gastheer. Hoofdgast en inleider was mr. Ruud Louw, medeontwerper van de ho-wet- en regelgeving op OCW in de jaren ‘80 en ‘90, daarna secretaris/algemeen directeur van de Universiteit Leiden. Naar eigen zeggen was dit het allerlaatste optreden van het één na laatste nog actieve ‘geweten van de WHW’ en dus alle reden om met hem in gesprek te gaan. Ruud Louw besteedde in het bijzonder aandacht aan:
–       een aantal zwakheden in de WHW,
–       de sturingsbevoegdheden van de minister
–       en het verkeer tussen overheid en instelling in een internationale omgeving.
Dit tegen de achtergrond van het proefschrift van deze specialist op het terrein van hogeronderwijsrecht: het Nederlandse Hoger Onderwijsrecht (diss. Leiden, LUP, 2011).

Impressies discussie-bijeenkomst werkgroep hoger onderwijsrecht van 19 januari 2012

door Peter Ubachs, onderwijsjurist en werkzaam als beleidsmedewerker voor de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs. Deze impressie is geschreven op persoonlijke titel.

Op 19 januari vond de derde discussiebijeenkomst van de werkgroep hoger onderwijsrecht plaats te Utrecht. Gastheer was Chris Peels, directeur van Qanu. Hoofdgast en inleider was Ruud Louw, medeontwerper van hoger onderwijs wet- en regelgeving op OCW in de jaren ‘80 en ‘90, daarna secretaris/algemeen directeur van de Universiteit Leiden. Ruud Louw schreef in 2011 een 775 pagina’s tellend proefschrift over de WHW; in zijn eigen woorden, zijn ‘professioneel testament’. Louw sprak zijn zorg uit over het gebrek aan kennis van het onderwijsrecht in Nederland. In zijn ogen leidt dit vandaag de dag tot een te ingrijpende en vaak ook verkeerde vorm van overheidsgedrag. Ter illustratie noemde hij het optreden van de Rijksoverheid in de hbo-fraude, maar ook meer recent de misvatting van staatssecretaris Zijlstra dat de wet gewijzigd dient te worden om fusies tussen universiteiten mogelijk te maken.

Het eerste hoofdonderwerp van de bijeenkomst betrof de visie van Louw op de huidige accreditatiesystematiek. Hij wees erop dat vanaf de WWO1960 al een vorm van instellingsaccreditatie bestond: de bekostigde universiteiten waren met naam in de wet genoemd. Later werd dit ondoenlijk door het onderbrengen van de vele hogescholen onder de WHW. Voor particuliere instellingen die wilden dat de door hen afgegeven diploma’s werden erkend, werd de mogelijkheid van een ‘aanwijzing’ gecreëerd. De term ‘aangewezen’ voor niet bekostigde private instellingen duidde in feite ook op een geaccrediteerde instelling. Met de invoering van de wet versterking besturing op 1 september 2010 is de term ‘aanwijzing’ afgeschaft en worden particuliere onderwijsinstellingen aangeduid met de term ‘rechtspersoon voor hoger onderwijs’.

Louw vindt dit geen goede ontwikkeling omdat onder de term ‘rechtspersoon voor hoger onderwijs’ zowel geaccrediteerd als niet-geaccrediteerd onderwijs aanbod (in het verleden: aangewezen onbekostigd en niet-aangewezen onbekostigd) valt. Hij geeft de voorkeur aan accreditatie op instellingsniveau in plaats van op opleidingsniveau, omdat instellingsaccreditatie naar zijn mening meer recht doet aan de autonome positie van hoger onderwijsinstellingen. Iedere instelling dient over een goed kwaliteitszorgsysteem te beschikken dat aan internationale eisen voldoet. Dit moet niet alleen op papier, maar ook in de praktijk functioneren. Voor de NVAO ziet Louw een rol weggelegd om de werking van het kwaliteitszorgsysteem per instelling te toetsen in plaats van per opleiding. De NVAO zou daarover de Minister moeten adviseren. Uitgangspunt van accreditatie moet zijn dat instellingen vertrouwen wordt geschonken. Dat vertrouwen schenken doet de Rijksoverheid in de ogen van Louw echter hoe langer hoe minder. Na ieder signaal in de media roept de verantwoordelijke bewindspersoon dat de opleiding gestraft gaat worden en sancties krijgt opgelegd. Een dergelijke reactie kan funest zijn voor de continuïteit van een instelling en benadeelt zittende studenten. Louw is van mening dat een andere invulling van het begrip accreditatie kan leiden tot meer vertrouwen en continuïteit in het stelsel. Hij acht het wenselijk dat er geen rechtsgevolgen worden verbonden aan het oordeel van visitatiecommissies. Dit zal dan weer leiden tot een meer onbevangen sfeer waarin men in een vroegtijdig stadium verbeterpunten durft te benoemen en waarin het instellingsbestuur het vertrouwen krijgt om binnen een bepaalde termijn verbeteringen in de opleiding door te voeren zonder dat studenten hier hinder van ondervinden.

Een ander onderwerp dat Louw aansneed betrof de wijze waarop en de voorwaarden waaronder nieuwe opleidingen in het hoger onderwijs kunnen worden gerealiseerd. Louw stelt dat de Rijksoverheid daarbij onvoldoende oog heeft voor de belangen van de hogescholen en universiteiten. Louw is van mening dat de huidige doelmatigheidstoetsing een eng nationaal kader heeft en leidt tot ongewenste bureaucratie. Iedere nieuwe opleiding die wordt gerealiseerd komt volgens Louw tot stand na een dialoog met het werkveld en/of de wetenschap en is daardoor per definitie relevant voor de arbeidsmarkt als er vraag naar is, dus dat zou niet vooraf getoetst hoeven te worden. Zijn standpunt is dat de doelmatigheidstoetsing zou moeten worden afgeschaft. De instellingen zouden zelf op domeinniveau moeten overleggen en in samenspraak met werkveld en wetenschap nieuwe opleidingen moeten vormgeven, zoals het wetsvoorstel WHW eerder ook bevatte.

Louw stelt dat het onderwijsaanbod volgens hem al teveel aanbod gestuurd is. Hij stelde dat de enige taak van de Rijksoverheid op dit terrein is te zorgen voor goede adequate studie(keuze)voorlichting. De meningen over deze stelling waren verdeeld. Een aantal deelnemers acht het noodzakelijk dat er naast adequate studie(keuze)voorlichting ook een toetsing van een doelmatige besteding van ’s-Rijks middelen bestaat. Het gevaar bestaat immers dat investering van de Rijksoverheid in opleidingen waarvan reeds voldoende aanbod bestaat, dan wel opleidingen waarvan een grote aantrekkingskracht op studenten uitgaat terwijl de arbeidsmarktperspectieven voor deze studenten slecht zijn, niet doelmatig kan worden geacht. Het niet bestaan van een vorm van doelmatigheidstoetsing wakkert in het kader van de strijd om de student  kopieer- en experimenteergedrag aan, hetgeen niet wenselijk is omdat het om belastinggeld van ons allen gaat.

Over brede opleidingen en university colleges was Louw ook duidelijk: het opleiden van steeds meer generalisten helpt de kwaliteit van het hoger onderwijs naar de ‘verdommenis’; een probleem dat al begint de invoering van de tweede fase in het voortgezet onderwijs.

Hierboven zijn in het kort het tweetal hoofdonderwerpen beschreven die in de bijeenkomst aan de orde zijn gekomen. Het zijn onderwerpen die zich voor onderwijsjuristen bijzonder lenen voor constante verdieping en discussie.

15 september 2011: Waarborgen van de waarde van het ho-diploma
Op 15 september vond de tweede bijeenkomst plaats. Gastheren van de 20 deelnemers waren de NVAO en de CDHO. Deze tweede bijeenkomst van de HOR ging vrijwel volledig over het thema: waarborgen van de waarde van een (ho) diploma. Welke er borgen er waren, welke er zijn, de tegenkrachten, en mogelijke nieuwe borgen en laterale oplossingen. Marjon Aker (Inholland) en Rian Hagebeuk (ANTRE/Remedi.Solutions), hielden inleidingen over onderwijskundige waarborgen van de waarde van een diploma. Gastheren Peter Ubachs (CDHO) en Henri Ponds (NVAO) gaven inleidingen over de externe waarborgen van de waarde van een diploma. Na de pauze werd daarover in een breed perspectief stevig gediscussieerd en werd – in themaverband – heet van de naald aandacht besteed aan een diezelfde ochtend gevoerd kort geding over een niet-toegekend diploma.
Aan het slot van de bijeenkomst werden – voorlopige – knopen doorgehakt over vorm, inhoud, auteursteams, vervolgafspraken, en het “Schijfplan” voor de publicatie van “Waarborgen van de waarde van een ho-getuigschrift”.

Publicatie Waarborgen van Waarde

Het thema ‘Waarborgen van de waarde van een (ho) diploma’ is verlegd naar een aparte auteursgroep. De eerste conceptbijdragen druppelden al binnen en dit belooft een goede publicatie te gaan opleveren, hetzij als themanummer van NTOR, of als eigenstandig commercieel uitgegeven boekje: “Waarborgen van de waarde van het getuigschrift hoger onderwijs”. Het gaat dan over vragen zoals: Wat is “wo-/hbo-waardig”? Welke factoren bepalen dat? Hoe wordt dat bewezen? Wie bepaalt de waarde van een diploma? Voor wie moet die waarde zijn? Hoe hoog moet/kan de waarde zijn en hoe reken je dat uit? Is er zoiets als objectieve waarde? En als we dat allemaal en meer weten: hoe beïnvloedt dat allemaal de onderwijsmakers IN universiteiten en hogescholen (of daarbuiten) positief of negatief. Ruwweg zij dit de subthema’s ervan:

  1. Inleiding: waarde en waarborg
  2. HO-stelsel en cultuur
  3. Onderwijsprogram, onderwijskunde; relatie tussen onderwijs en onderzoek
  4. De rol van OER- en examencommissie
  5. De positie van de student.
  6. Intern toezicht & bestuur en extern toezicht
  7. Financiering
  8. Rol en functie van het beroepenveld / vakgebied
  9. Afstemming onderwijsaanbod – arbeidsmarkt
  10. Rode draden

Geïnteresseerde auteurs die een bijdrage willen leveren, dit kunnen ook ‘losse’ passages of essays zijn, kunnen zich nog altijd melden bij de voorzitter, peter.kwikkers@triasnet.nl. Dit adres geldt ook voor nadere vragen of informatie.

 

12 mei 2011: Accreditatie
Op 12 mei trapte de werkgroep met veertien deelnemers af met een bijeenkomst die grotendeels was gewijd aan het thema “Accreditatie”. Chris Peels, directeur van QANU als gastheer, en Peter Kwikkers, een van de schrijvers van het boek ‘Accreditatie en Kwaliteitzorg’ (SDU, 2011), hielden tevens de inleiding over dit onderwerp.

Natuurlijk belandde de discussie ook op het terrein van de zaak Inholland en dat gaf aanleiding tot de afspraak dat de voorzitter gedurende de zomer, met geïnteresseerde auteurs, op inhoudelijke wijze te inventariseren of hierover een publicatie zou kunnen worden geschreven. In drie schriftelijke commentaarrondes tijdens de zomer, vloeide daaruit een ‘schijfplan’ voor een uit meerdere paragrafen/hoofdstukken van ”De waarborgen van de waarde van een diploma”.

Winkelmand

Nieuwsbrief

Op de hoogte blijven van de ontwikkelingen op het gebied van rechtsbijstand en onderwijs?
Schrijf u in voor de NVOR nieuwsbrief.

Interesse in Lidmaatschap?

klik hier om lid te worden van NVOR, of bekijk de lidmaatschap tarieven.